Rekenen 1

1

Een auto rijdt gemiddeld 120 km per uur hij rijdt 7.30 uur om in Frankrijk te komen.

Hoelang veel km heeft hij gereden als hij in Frankrijk is?

A: 800

B: 900

C: 1200

D: 1100

 

2

Jaap wilt een mobiel kopen van 100 euro.

Hij heeft zelf 55 euro, en hij plukt appels voor 2,50 per uur.

Hoeveel uur moet hij werken voor dat hij zijn mobiel kan kopen?

A: 17 uur

B:24 uur

C: 18 uur

D:22 uur

 

3

Hans heeft toets week.

De eerste dag heeft hij een 7, de tweede 9,de derde 7,de vierde 6, de vijfde 8

Wat is het gemiddelde van deze week

A:7,3

B:9,4

C:7,4

D:8,4

 

4

1/4 deel van school is ziek.

Er zitten 550 kinderen op school.

Hoeveel kinderen zijn er op school?

A: 137.5

B: 412.5

C: 402.5

D:147.5

 

5

Sjaak koopt een computer voor € 755.

Hij krijgt 11 procent korting.

Hoe duur is de computer?

A: 35

 B: 83.05

C: 671.95

D: 51.75

 

6

10,5 : 0,05

A: 21

B: 2,1

C: 210

D: 2100

 

7

Een handelaar koopt 10 kasten omdat hij er 10 kocht krijgt hij 5% korting hoeveel moet de handelaar betalen als de kasten als ze 79 euro per stuk kosten?

A: 750,5

B: 711

C: 790

D: 721

 

8

Katja gaat tracteren op school ze heeft 120 snoepjes er zijn 24 leraren die er 1 krijgen ze heeft ook nog 29 klasgenootjes hoeveel snoepjes krijgen de klasgenootjes?

A: 3

B: 3,2

C: 4

D: 4,2

 

9

 Jan heeft 40 knikkers ze verzeeld ze Pietje krijgt 1/2 deel Peter 1/4 deel en Pieter de rest hoeveel is de rest?

A: 15

B: 10

C: 5

D: 20

 

10

 Ilse koopt een tv van €800,- ze krijgt €44,- korting

hoeveel procent is dat?

A: 10%

B: 11%

C: 5,5%

D: 55%