Taal 1

Voor de eerste 5 opdrachten geldt 'welk schuingedrukt woord is fout gespeld'.

 

1 

 In het winkelcentum is het een chaos.

 Zij vonden dat erg typisch.

 Dat land is een democrastie.

 De machine is kapot.

 

2

 De tractor gaat te snel!

Het oude gebouw werd gerestaureerd.

Hij keek in het informastieboekje.

Hij zat op de computer.

 

3

Dat is de producent.

Hij is de regisseur.

Dat is een mooie productie.

De film is in de bioscoopen te zien.

 

4

Hij komt oorspronkelijk uit Duitsland.

Die man wil rechtvaardigheid.

 Dat is echt onzinig.

Dat is de realiteit.